Liite:Verbitaivutus/hollanti/ontvoogden

Nominaalimuodot
infinitiivi ontvoogden
partisiipin preesens ontvoogdend
partisiipin perfekti ontvoogd
apuverbi hebben
Persoonamuodot
indikatiivi
preesens imperfekti perfekti pluskvamperfekti
pers. yks. mon. pers. yks. mon. pers. yks. mon. pers. yks. mon.
1. ontvoogd ontvoogden 1. ontvoogdde ontvoogdden 1. heb ontvoogd hebben ontvoogd 1. had ontvoogd hadden ontvoogd
2. ontvoogdt ontvoogden 2. ontvoogdde ontvoogdden 2. hebt ontvoogd hebben ontvoogd 2. had ontvoogd hadden ontvoogd
3. ontvoogdt ontvoogden 3. ontvoogdde ontvoogdden 3. heeft ontvoogd hebben ontvoogd 3. had ontvoogd hadden ontvoogd
konjunktiivi
preesens imperfekti perfekti pluskvamperfekti
pers. yks. mon. pers. yks. mon. pers. yks. mon. pers. yks. mon.
1. ontvoogde ontvoogden 1. ontvoogdde ontvoogdden 1. hebbe ontvoogd hebben ontvoogd 1. hadde ontvoogd hadden ontvoogd
2. ontvoogde ontvoogden 2. ontvoogdde ontvoogdden 2. hebbe ontvoogd hebben ontvoogd 2. hadde ontvoogd hadden ontvoogd
3. ontvoogde ontvoogden 3. ontvoogdde ontvoogdden 3. hebbe ontvoogd hebben ontvoogd 3. hadde ontvoogd hadden ontvoogd
imperatiivi
pers. yks. mon.
2. ontvoogd ontvoogdt